Archief →

Het Hof van Justitie definieert het begrip “vaste inrichting”, in de zin van de BTW richtlijn

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft zich op 3 juni 2021 uitgesproken inzake BTW.

T. is een vennootschap waarvan de statutaire zetel en de bedrijfsleiding zich op Jersey bevinden. Ze is actief in de sectoren onroerend goed, vermogensbeheer en wonen en huisvesting.

In 2009 en 2010 verhuurde ze een haar toebehorend onroerend goed met toepassing van btw, dat gelegen was te Wenen (Oostenrijk), aan twee Oostenrijkse ondernemers. T. heeft, voor het uitvoeren van deze handelingen - de enige die T. in Oostenrijk verrichtte - een Oostenrijkse vastgoedbeheerder gemachtigd om als tussenpersoon op te treden. Deze diensten als tussenpersoon werden door de gemachtigde verricht in andere ruimten dan die van het gebouw dat aan T. toebehoort.

T. was van mening dat ze geen btw verschuldigd was over haar activiteit van verhuur van het onroerend goed omdat ze in Oostenrijk niet over een vaste inrichting beschikte. De belastingdienst nam het standpunt in dat een verhuurd onroerend goed een dergelijke vaste inrichting vormt. De belastingdienst heeft ten laste van de vennootschap een btw-bedrag vastgesteld voor de belastingjaren 2009 en 2010.

Het Hof wordt ondervraagd of een in een lidstaat verhuurd onroerend goed een vaste inrichting vormt in de zin van artikel 43 tot en met 45 van de richtlijn 2006/112, wanneer de eigenaar van dat onroerend goed niet over eigen personeel beschikt om de dienst in verband met de verhuur te verrichten.

Een „vaste inrichting" dient een zekere bestendigheid te vertonen, doordat ze duurzaam over het personeel en de technische middelen beschikt die voor bepaalde diensten noodzakelijk zijn. Er moet derhalve sprake zijn van een voldoende mate van duurzaamheid en een - wat personeel en technisch materieel betreft - geschikte structuur om een zelfstandige verrichting van de betrokken diensten mogelijk te maken. Een structuur die niet over eigen personeel beschikt, kan niet onder het begrip „vaste inrichting" vallen.

In casu blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat T. in Oostenrijk geen eigen personeel heeft en dat de personen die belast zijn met bepaalde beheerstaken contractueel door haar zijn gemachtigd, waarbij ze alle belangrijke beslissingen over de verhuur van het betrokken gebouw voor zichzelf heeft voorbehouden.

Een gebouw waarvoor geen personeel ter beschikking is waardoor het zelfstandig kan handelen, voldoet kennelijk niet aan de in de rechtspraak geformuleerde criteria om als vaste inrichting te worden aangemerkt in de zin van zowel richtlijn 2006/112 als de gewijzigde richtlijn 2006/112.

Het Hof verklaart voor recht dat een in een lidstaat verhuurd onroerend goed geen vaste inrichting vormt in de zin van artikelen 43 tot en met 45 van richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, wanneer de eigenaar van dat onroerend goed niet over eigen personeel beschikt om de dienst in verband met de verhuur te verrichten.

ComptAccount is door DBiT ontwikkeld, een dochteronderneming van Groep Larcier