Archief →

Pacht: duur en verlengingen

Artikel 12, §2 WIB/92 voorziet in de vrijstelling van onroerende inkomsten voor pachten die voorzien in een eerste gebruiksperiode van minimaal achttien jaar. Die vrijstelling gaat slechts terug tot een wet van 13.5.1999 ter bevordering van het sluiten van pachten van lange duur.

Let echter op: ze houdt slechts verband met de aangifte in de PB en niet de onroerende voorheffing (art.12, §2 en 253 WIB/92).

De wettelijke regels inzake de pacht zijn opgenomen in het Burgerlijk Wetboek (Boek III, Titel VIII, Hoofdstuk II, Afdeling 3). Ze werden onlangs aangepast voor het Waals Gewest met ingangsdatum van 01.01.2020 (hoofdzakelijk betreffende het verplicht schriftelijke karakter van de overeenkomst).

Het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de pachttijd niet korter mag zijn dan 9 jaar, een duur die wordt verlengd met opeenvolgende periodes van 9 jaar, bij gebreke van geldige opzegging. De Waalse hervorming bepaalt dat de huurder voortaan maximaal drie keer met 9 jaar kan verlengen, eventueel van jaar tot jaar stilzwijgend verlengd, wat een maximale duur van 36 jaar oplevert.

Het Wetboek van de inkomstenbelastingen vereist dan weer (zie boven) dat de minimumduur 18 jaar bedraagt, teneinde in aanmerking te kunnen komen voor de vrijstelling van onroerende inkomsten.

Nemen we het volgende geval: een persoon (al dan niet een landbouwer) sloot een pacht af voor 18 jaar. Het inkomen van de eigenaar-verpachter wordt dus vrijgesteld van de PB. Na die 18 jaar hernieuwt de betreffende persoon (huurder) schriftelijk (Waals Gewest) of stilzwijgend (overige gewesten) de pachtovereenkomst voor nog eens 9 jaar. Het inkomen van de eigenaar-verhuurder blijft vrijgesteld van de PB aangezien de minimumvoorwaarde van 18 jaar wel degelijk werd en nog steeds wordt gerespecteerd, aangezien het dezelfde partijen betreft.

Er zijn evenwel andere situaties mogelijk:

-  De pachter heeft zijn activiteit aan zijn kinderen en echtgenoot overgelaten (die is inmiddels mogelijk reeds overleden). De verlenging wordt dus niet door hemzelf maar door zijn erfgenamen uitgevoerd. Hoe zit het dan met de belastingvrijstelling? De verpachter is dezelfde maar de pachter niet, aangezien het zijn erfgenamen zijn die de pacht verlengen. De vrijstelling blijft echter bestaan aangezien het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de erfgenamen er niet toe gehouden zijn de voorafgaande toestemming van de pachter te vragen. In het Waals Gewest dienen de erfgenamen de verpachter evenwel op de hoogte te brengen van de overdracht binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de overdracht, op straffe van nietigheid ervan.

-  Na afloop van de 36 jaar (maximale duur in het Waals Gewest) is de overeenkomst afgelopen en dient men er een nieuwe te sluiten. Moet de duur daarvan ook minimaal 18 jaar bedragen opdat de eigenaar-verpachter geniet van de vrijstelling van zijn inkomsten in de PB? Men zou denken van wel op basis van de lezing van de Waalse regelgeving alleen, maar rekening houdend met het feit dat het dezelfde partijen en hetzelfde goed betreft, dient men eruit te besluiten dat de voorwaarde van minstens 18 jaar, zoals vermeld in artikel 12, §2 WIB/92, nog steeds van toepassing is.

-  Daar de overdracht van de pacht verboden is, behoudens voorafgaande schriftelijke toestemming van de verhuurder, is de kwestie inzake de vrijstelling in de PB subtieler. Volgens ons betreft het een nieuwe overeenkomst en indien de duur van de overeenkomst na de overdracht niet ten minste 18 jaar bedraagt, kan de vrijstelling niet worden gevorderd door de eigenaar-verpachter.

ComptAccount is door DBiT ontwikkeld, een dochteronderneming van Groep Larcier