Archief →

Stopzettingsmeerwaarde op een gebouw dat niet is afgeschreven

In een vorig artikel hadden we het over de tegenslagen van een belastingplichtige die een gebouw had verkocht waarin hij zijn beroepsactiviteit had uitgeoefend, maar waarop hij geen fiscale afschrijvingen had gedaan.

 

De administratie had de op dat gebouw gerealiseerde meerwaarde evenwel belast tegen 16,5 % en de belasting werd bevestigd door het hof van beroep van Luik in een arrest van 14.12.2001.

 

De belastingplichtige had effectief een aantal fouten gemaakt die hem fataal waren:

 

-  hij had een veranda die deel uitmaakte van het gebouw afgeschreven,

-  hij had de interesten op de lening die hij was aangegaan om het gebouw te kopen afgetrokken als beroepskosten,

-  hij had het kadastraal inkomen van het gebouw ingeschreven onder code 105 van zijn belastingaangifte (onroerende goederen die beroepsmatige gebruikt worden).

 

Wil dat zeggen dat men die belastingcondities voor waar moet aannemen?

 

Niet noodzakelijk …

 

In een arrest van 14.12.2007 moest het hof van beroep van Gent zich over het volgende geval uitspreken. De administratie wilde een stopzettingsmeerwaarde belasten die afkomstig was van de verkoop van een onroerend goed dat de belastingplichtige gedeeltelijk gebruikte als zelfstandige, en dat, in toepassing van artikel 28,1° WIB 1992.

 

De belastingplichtige argumenteerde dat het gebouw nooit in de zaak was ingebracht aangezien er geen enkele afschrijving was gebeurd op de aankoopprijs van het onroerend goed en enkel de verbouwingswerken waren afgeschreven.

 

Volgens het hof veronderstellen de verbouwings- een aanpassingwerken dat ze onlosmakelijk zijn verbonden met het gebouw dat verbouwd en aangepast werd, waardoor de afschrijvingen van die werken gelijkgesteld moeten worden met die van het gebouw, en men mag veronderstellen dat het gebouw werd gebruikt voor de uitoefening van een beroep in de zin van artikel 41, 2° WIB/1992.

 

Tot daar volgde het hof van beroep van Gent de eerdergenoemde Luikse rechtspraak.

 

De belastingplichtige argumenteerde echter ook dat er geen meerwaarde was gerealiseerd naar aanleiding van de stopzetting.

 

Hij verklaarde dat de administratie het oorzakelijk verband tussen de stopzetting (maart 1992) en de realisatie van de meerwaarde (april 1994) niet had aangetoond. De eiser had het goed immers voor een periode van twee jaar na de stopzetting van zijn beroepsactiviteit gehuurd. Bijgevolg moest men volgens het Gentse hof van beroep toegeven dat het gebouw zodra het verkocht was een andere bestemming had gekregen en toebehoorde aan het privévermogen van de verzoeker.

 

Volgens het hof kon de op de verkoop van het gebouw gerealiseerde meerwaarde dan ook niet beschouwd worden als “inkomsten die worden verkregen of vastgesteld uit hoofde of naar aanleiding van de volledige en definitieve stopzetting van de onderneming of van de uitoefening van een vrij beroep, ambt, post of winstgevende bezigheid en voortkomen uit meerwaarden op activa die voor de beroepswerkzaamheid zijn gebruikt”, zoals artikel 28,1° WIB/1992 bepaalt.

 

Het is dus een feitelijke kwestie, maar er volgt duidelijk uit dat als een zelfstandige zijn beroepsactiviteit stopzet zonder zijn gebouw met zijn zaak over te dragen, hij er alle belang bij heeft om de bestemming van zijn gebouw te wijzigen en het daarna te verkopen. Zo vermijdt hij immers een belasting van 16,5% (+gemeentelijke opcentiemen).

ComptAccount is door DBiT ontwikkeld, een dochteronderneming van Groep Larcier