Archief →

Het maandelijks overzicht van uw creditkaart: fiscaal toegelaten bewijs?

Volgens art. 49 WIB/92 moeten beroepskosten “verantwoord worden door middel van bewijsstukken of, ingeval zulks niet mogelijk is, door alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed”.

 

In art. 49/19 van zijn commentaar beschouwt de administratie dat dit bewijs kan geleverd worden door:

 

-  de factuur indien de BTW-wetgeving die voorschrijft;

-  het fiscaal ontvangstbewijs waarvan sprake is in art. 320, § 1, WIB/92 wanneer dat ontvangstbewijs verplicht is;

-  elk ander stuk dat door enige wettelijke of reglementaire bepaling is opgelegd.

 

Pas wanneer het praktisch onmogelijk wordt om die stukken nog te produceren kan men zich verlaten op andere – dan voorgenoemde – bewijsmiddelen die het gemeenrecht toelaat.

 

Art. 49/20 van dezelfde commentaar verduidelijkt dat als beroepskosten waarvoor niet noodzakelijk bewijsstukken zijn vereist, kunnen worden vermeld:

1° kosten die doorgaans in de "representatiekosten" worden ondergebracht;
2° bepaalde kosten betreffende het gemengde gebruik van een wagen (benzine, olie, onderhoudsproducten, toebehoren van geringe waarde, enz.);
3° gewone kosten van onderhoud van de beroepslokalen (onderhoudsproducten en -materieel enz.);
4° bepaalde toevallige kosten wegens verplaatsingen voor beroepsdoeleinden (gemeenschappelijk vervoer, taxi's, enz.).

 

Een belastingplichtige rechtvaardigde een aantal beroepskosten als ‘pr, reizen, restaurants, horeca' aan de hand van de betalingsoverzichten van zijn creditkaart.

 

De belastingadministratie verwierp de aftrek van die representatiekosten omdat er geen btw-bonnetjes waren voorgelegd, maar ook omdat de belastingplichtige niet kon aantonen dat het werkelijk om beroepsuitgaven ging.

 

In een vonnis van 18.04.2008 weigerde de rechtbank van 1e aanleg van Luik deze argumentatie. De btw-wetgeving vereist het voorleggen van een btw-bonnetje bij het verbruiken van een maaltijd in een restaurant, maar beperkt zich tot de vermelding van de datum, het bedrag en het aantal maaltijden. Het btw-bonnetje levert op zich dus niet veel meer informatie op dan een betalingsoverzicht van een creditkaart. Bovendien wordt de aftrekbeperking niet berekend op basis van het aantal maaltijden, maar op het uitgegeven bedrag.

 

De rechtbank verduidelijkte dat “men moeilijk redelijkerwijs kan eisen dat eiseres voor elke restaurantuitgave een btw-bonnetje voorlegt, evenals het bewijs van betaling met de betrokken kaart en een (overigens eenzijdige) vermelding van de uitgenodigde, bedankte of vergoede personen...”

 

Het betalingsoverzicht van de creditkaart moet dus worden toegelaten als bewijsmiddel.

 

Dit vonnis lijkt ons volkomen gegrond:

 

-  WIB/92 bevat geen enkele vermelding omtrent het type bewijs dat men moet voorleggen om representatiekosten te bewijzen;

-  de eis van een btw-bonnetje is een eenzijdig verzoek van de belastingadministratie dat voortkomt uit een interpretatie van art. 49/19 van zijn eigen administratieve commentaar;

-  door een beperking voor restaurantkosten in te voeren heeft de wetgever reeds te kennen gegeven dat hij een deel van die kosten verwerpt;

-  het is zonder meer onmogelijk om het bewijs te eisen dat er wel degelijk een maaltijd werd verbruikt met een zakelijk contact. Dit bewijs – zo benadrukt ook de rechtbank – is immers eenzijdig en het lijkt ons niet geloofwaardig dat de administratie alle ‘vermelde' personen die in het kader van hun werk werden uitgenodigd om informatie gaat vragen.

 

Willen we daarmee zeggen dat men zich maar moet beperken tot het voorleggen van een betalingsoverzicht van uw creditkaart?

 

Beslist niet, want dit overzicht is het bewijs dat de uitgave wel degelijk is gebeurd door der belastingplichtige bovenop het feit dat hij over een btw-bonnetje beschikt. Deze beschouwing is echter van praktische aard en niet gefundeerd op een wettekst.

 

Als we de logische redenering van de administratie volgen zou ze ook het betalingsbewijs moeten eisen ondanks het voorleggen van het btw-bonnetje.

 

De rechtbank van eerste aanleg van Luik heeft de zaken gelukkig rechtgezet.

ComptAccount is door DBiT ontwikkeld, een dochteronderneming van Groep Larcier