Archief →

Balans 2008: de verandering van de waardeverminderingen

Volgens advies nr. 114/2 van de Commissie Boekhoudkundige Normen worden deelnemingen van minder dan 10% van het kapitaal behandeld in “Financiële vaste activa” of in de “schatkistcertificaten” op basis van de duur van de belegging of het bestaan van een duurzame band tussen ondernemingen. Uit de definitie van de rubriek Schatkistcertificaten blijkt integendeel dat aandelen in een verbonden onderneming of in een onderneming waarmee er een deelnemingsverhouding bestaat steeds onder financiële vaste activa moeten worden opgenomen, tenzij het om effecten gaat die zijn verkregen of waarop is ingeschreven met het oog op de wederafstand daarvan of tenzij de aandelen bestemd zijn om binnen de twaalf maanden te worden gerealiseerd.

 

De financiële crisis die de wereld eind 2008 heeft getroffen, had een direct effect op de waardering van die activa in de balansen van ondernemingen.

 

Artikel 66, § 2 van het kb tot uitvoering van het wetboek van vennootschappen (kb.ven) bepaalt de waarderingsmethode van financiële vaste activa.

 

Het geeft aan dat “op deelnemingen en aandelen die in de post 'financiële vaste activa' zijn opgenomen waardeverminderingen worden toegepast in geval van duurzame minderwaarde of ontwaarding, verantwoord door de toestand, de rendabiliteit of de vooruitzichten van de vennootschap waarin de deelneming wordt gehouden. Op de vorderingen, inclusief de vastrentende effecten, die in de financiële vaste activa zijn opgenomen, worden waardeverminderingen toegepast, zo het voor het geheel of een gedeelte van de vorderingen onzeker is dat zij op de vervaldag zullen worden betaald.”

 

Als de beursgenoteerde ondernemingen die hun activa moeten boeken tegen marktwaarde rechtstreeks getroffen werden, is de realiteit een stuk genuanceerder voor de andere ondernemingen.

 

Het criterium dat men moet beoordelen om een waardevermindering te boeken is dat het om een ‘duurzame' minderwaarde moet gaan. De situatie, rendabiliteit of de perspectieven van de onderneming waarin een aandeel wordt aangehouden moeten duurzaam getroffen zijn.

 

De meerderheid van de ondernemingen die geconfronteerd worden met die regel ondergaan hiervan nauwelijks gevolgen door de financiële crisis.

 

We geven een voorbeeld. Onderneming A heeft 85% van onderneming B in handen dat actief is in zijn beroepssector. Geen van beide ondernemingen staat genoteerd op de beurs en ze hebben geen van beide aandelen in een beursgenoteerd bedrijf. De financiële crisis is voor die twee bedrijven dus volkomen transparant, behalve wanneer er onder haar cliënteel ondernemingen zijn die failliet zijn gegaan (of dat weldra zullen worden) omwille van de crisis eind 2008.

 

Ander voorbeeld: Diezelfde onderneming A heeft 85% van diezelfde onderneming B in handen, maar deze laatste bezit een aanzienlijke oorlogsbuit die ze verschillende jaren belegde in aandelen van de Fortis Holding. De financiële crisis sloeg in als een donderslag bij heldere hemel en de waardevermindering van de beleggingen van onderneming is gigantisch. De minderwaarde mag dan duurzaam lijken, ze moet evenwel beoordeeld worden in het licht van verschillende criteria: tegen welke waarde heeft onderneming B deze Fortis Holding-effecten verworven? Moet men in de beoordeling van het duurzaam karakter van de eventuele waardevermindering rekening houden met door de regering aangekondigde toekomstige restorno's op de toekomstige dividenden van BNB-Paribas, of met de vordering van 9 euro per aandeel van meester Modikramen aan wie de berooide Fortis-aandeelhouders hun verdediging toevertrouwden.

 

Het duurzame karakter van een waardevermindering is in de eerste plaats dus een subjectieve waardering van de situatie. Ze heeft geen uitstaans met de marktwaarde (d.w.z de beurskoers). Een zwakke beurskoers kan rechtvaardigen waarom men geen waardevermindering boekt omdat de bestuurders van de onderneming die het aandeel aanhoudt op het moment van het afsluiten van de jaarrekening oordelen dat er ernstige aanwijzingen bestaan waaruit blijkt dat de onderneming waarin het aandeel wordt aangehouden binnen afzienbare tijd er weer bovenop komt.

 

En dan over de schatkistcertificaten.

 

De meeste waardeverminderingen die onderzocht gaan moeten worden in het licht van het afsluiten van de balans op 31.12.2008 zullen betrekking hebben op schatkistcertificaten en niet op financiële vaste activa.

 

Gezien de omvang van de kapitalen van beursgenoteerde ondernemingen kunnen weinig ondernemingen er prat op gaan dat ze een deelneming aanhouden die toereikend is om ze te kwalificeren als financiële vaste activa.

 

Bij ontstentenis daarvan wordt het aanhouden van kapitaal geboekt als schatkistcertificaten.

 

Volgens artikel 74 kb ven, “op de schatkistcertificaten en liquiditeiten worden waardeverminderingen toegepast wanneer op de datum van de jaarafsluiting hun realisatiewaarde lager ligt dan hun nominale waarde. Artikel 75 bepaalt eveneens dat “er aanvullende waardeverminderingen worden geboekt op schatkistcertificaten en liquiditeiten om rekening te houden hetzij met de evolutie van hun realisatie- of marktwaarde, hetzij met de risico's inherent aan de aard van de betrokken producten of van de gevoerde activiteit”.

 

We geven een praktisch voorbeeld. Onderneming A heeft effecten verworven van onderneming B die op de beurs staat genoteerd. Op 31.12.2008 heeft de aanschaffingswaarde van de effecten van de onderneming B een waardevermindering ondergaan van 80% van zijn beurskoers, en dat ondanks het feit dat op basis van het eigen vermogen haar boekhoudwaarde hoger is dan haar beurskoers.

 

Welke waardevermindering moet onderneming A dan boeken?

 

Helaas heeft de boekhouder van onderneming A nauwelijks speelruimte. Hij moet een waardevermindering van 80% boeken tegenover de aankoopwaarde van de effecten van onderneming B, ondanks het feit dat de beurskoers lager is dan de boekhoudwaarde van de aandelen van onderneming B.

 

Er rest hem maar een mogelijkheid. Als de beurskoers weer is gestegen tussen de datum van afsluiting en de datum waarop de rekeningen worden afgesloten door de raad van bestuur kan hij een melding inschrijven in het beheerrapport en/of in de bijlagen bij de jaarrekeningen om deze gebeurtenis na de balans te vermelden om de lezer te informeren over het herstel. Hij kan echter in geen enkel geval deze inkomsten boeken in de rekeningen van onderneming A op de datum van afsluiting.

 

Vandaar ook de volgende vraag: er is duidelijk een wanverhouding tussen de waardering van die aandelen, al naargelang ze geboekt worden onder “andere financiële vaste activa” of onder “schatkistcertificaten”. Het hierboven aangehaalde advies nr. 114/2 van de CBN verwijst naar de beslissing van de realisatie binnen twaalf maanden als criterium van onderscheid tussen de twee boekingen.

 

Dat zet de deur open voor subjectiviteit. Onderneming A kan aandelen hebben gekocht van onderneming B om ze daarop binnen de 12 maanden te verkopen, maar rekening houdend met de koersval eind 2008 kan ze haar positie herzien en langer wachten dan aanvankelijk voorzien was om zo te vermijden dat de effecten aan een lagere beurswaarde dan de boekhoudwaarde van de aandelen van B worden verkocht. Om die reden kunnen de effecten van B worden overgedragen in andere financiële vaste activa zodat men minder zware waardeverminderingen moet boeken.

 

Boekhoudkundige manipulaties? Zeker niet, enkel een subjectieve aanpassing van de toepassingsregels om te vermijden dat de lezers van jaarrekeningen van onderneming A nog meer gedesinformeerd raken.

 

Waarom zou men onderneming A verwijten om op die manier te werk te gaan, terwijl er voor beursgenoteerde ondernemingen unaniem werd gestemd voor een afwijking van de boekhouding tegen marktwaarde?

ComptAccount is door DBiT ontwikkeld, een dochteronderneming van Groep Larcier