Geldlening en geherkwalificeerde interesten: het Hof van Cassatie doet er nog een schepje bovenop.
Over de interesten betaald op het creditsaldo van een rekening-courant die toebehoort aan een bedrijfsleider is al heel wat geschreven in het domein van de inkomstenbelastingen.
We moeten zeggen dat er heel wat situaties zijn (quasi-inbreng/betaling van uitgaven voor rekening van het bedrijf/aanvullen van vermogen van bedrijf) dat de tekst van artikel 18 KB WIB 92 in de tijd is geëvolueerd (maar zonder dat dit opheldering brengt) en dat de belastingplichtigen zelf hebben geprobeerd om die tekst in hun voordeel te interpreteren, zelfs in de meest ongelofelijke omstandigheden.
De rechtspraak is diezelfde richting opgegaan: nu eens waren het de interesten, dan weer de dividenden. Het resultaat voor de belastingplichtige was nochtans alles behalve pijnloos: 25% roerende voorheffing in geval van herkwalificatie in dividenden, 25% in geval van herkwalificatie in interesten, zonder de belastingverhogingen te vergeten.
Na een reeks beroepen en juridische gevechten is de problematiek voor het Hof van Cassatie beland.
In een salomonoordeel (van 16.11.2006) loste het hof een eerste schot. Een bedrijfsleider had een gebouw verkocht aan zijn bedrijf en in plaats van de prijs onmiddellijk te ontvangen, liet hij de vordering inschrijven op z'n rekening-courant in de boeken van de vennootschap in ruil voor de betaling van interesten. Het hof van beroep van Luik oordeelde dat er geen sprake kon zijn van een geldlening voor een inschrijving op een rekening-courant. Het Hof van Cassatie wijzigde deze beslissing in het bovengenoemde arrest. Een eerste overwinning dus: geldlening en inschrijving op de rekening-courant waren geen onverenigbare begrippen.
Daarmee was de zaak echter niet rond en in een arrest van 04.09.2009 moest het Hof van Cassatie zich uitspreken over een gelijkaardige zaak. In het onderhavige geval ging het om de verkoop van aandelen met de voorwaarde dat ieder bedrag dat niet was terugbetaald bij het verstrijken van de termijn volwaardige interestrechten meebrengt. Volgens het Hof van Cassatie moeten in dergelijk geval de interesten niet geherkwalificeerd worden als dividenden, maar moet worden aangegeven dat een uitgestelde betaling niet noodzakelijk een geldlening is.
We waren goed op weg ...
Vervolg en ongetwijfeld nog niet het einde: in een arrest van 20 05 2010 heeft het Hof van Cassatie haar standpunt toegelicht: in de regel is een uitgestelde betaling geen geldlening.
We zijn een beetje verder geraakt. Van ‘niet noodzakelijk' naar ‘in de regel' is al een hele evolutie, maar dat neemt niet weg dat het Hof van Cassatie nog altijd een remake van "Monty Python and the Holy Grail" maakt.
Het is nochtans tijd om een einde te maken aan die trage vooruitgang die schadelijk is voor iedereen, zowel voor de administratie als de belastingplichtigen, gezien hun diametraal tegenovergestelde belangen en standpunten.
Het Hof van Cassatie is een eerbiedwaardige instantie en geen revolutionaire rechtsinstantie die nog wel wat tijd nodig zal hebben om tot een definitieve oplossing te komen.